Een gebroken arm en een huisje op het strand

Het leek me helemaal geweldig: slapen in een strandhuisje. Dat je ’s ochtends naar buiten keek en de zee zou zien. Dat je zo vanuit je bed het strand op zou kunnen rennen. Dat je dan ook weer terug kon rennen en binnen weer naar de zee en het strand kon blijven kijken. Wat het weer ook zou zijn, het zou niets uitmaken. En zelfs als de wind door de kieren van het huisje zou komen en er echt overal zand zou liggen, zou ik het nog geweldig vinden. Omdat ik op het strand was!  Zou zoiets bestaan en zou het ook echt zo zijn?

Ja, het bestaat. Niet alleen in verre oorden en op witte stranden, maar ook op het Noordzeestrand. Circa 40 grijze geïsoleerde huisjes staan er op een rij, tegen de duinen en tegen de rand van het strand. De wind waait erom heen. De zee met de woeste golven komt en gaat. ’s Nachts zie je in de verte de boeien van de vaargeul, overdag zie je de schepen, de surfers en de wandelaars. Er is continu verandering, maar de geur en het geluid van de zee blijft.

Dat we hier naar toe zouden gaan, stond vast. Dat het net zo zijn als ik had gedacht zou bijna waar zijn, als  we niet op vrijdagochtend gebeld waren door school. Er was een huilende Kathelijn die bang was dat ze nu niet meer op vakantie kon gaan. Waarom niet? Omdat ze uit het klimrek was gevallen en haar arm pijn deed. Of we toch maar even met haar naar de huisarts wilden gaan. Natuurlijk haalden we haar op en zijn we naar de dokter gegaan. De tranen waren al weer opgedroogd. Dat hij haar doorverwees naar de spoedeisende hulp van het ziekenhuis, vond ze alleen maar interessant. In het ziekenhuis werd een foto genomen van haar arm. Dat was ook interessant. De conclusie was al snel duidelijk: gebroken. Ze mocht het gips uitzoeken (rood, dat is papa’s lievelingskleur), de kleur van de ondersteunende band (blauw, dat is mama’s lievelingskleur) en een knuffel als troost (panda, want ze krijgt maandelijks de Pipa-panda thuis gestuurd). Even niet meer fietsen, niet spelen in de speeltuin en het gips mag natuurlijk niet nat worden. Op vakantie gaan kon wel. Maar dat hadden we zelf ook al bedacht.

En zo hebben we een bijzonder weekend gehad. Met een gebroken linkerarm (Nee, mijn arm is niet gebroken, het bot is gebroken) en een huisje op het strand.

 

 

 

 

 

Geen tijd meer

Waarom zit er zo’n tijd tussen al mijn stukjes? Waar is de continuïteit gebleven? Het lukt even niet meer om te schrijven zoals ik deed.  Ik denk te lang na. Terwijl de kunst juist is om niet na te denken en gewoon te schrijven. Te schrijven wat ik zie, wat ik opmerk waarover ik me verbaas. Zie ik nog wel, kijk ik nog, merk ik nog op of ben ik beland in een fase die gebrek aan tijd heet? Dat wat ik juist niet zou willen, maar wel de werkelijkheid schijnt te zijn.  Hoe komt het?

Elke dag begint met de wekker. Opstaan. Aankleden. Ontbijten. Zorgen dat de kleuters dit ook doen. Zorgen dat ik op tijd weg ben en de trein haal. Mee in die grote stroom van werkvee en studenten. Blij als ik zit en een plekje heb. Ergens onderweg probeer ik nog een krant te lezen.  Als de trein  stopt, wordt de wagon uitgeladen. Meegezogen naar de uitgang, met z’n allen naar werk of opleiding.  Ben ik op mijn bestemming dan vliegt de tijd om. Elke dag is een werkdag vol verhalen, vol communicatie. Acht uur later bevind ik me weer in de stroom, maar dan terug. Weer zorgen dat ik op tijd ben voor de trein.  Thuis zijn er twee kleuters, moe na een dag school. En thuis is er (gelukkig) eten. Over de vraag of groente lekker is, blijven de meningen elke dag verdeeld. Dan naar boven. Voorlezen. Naar bed. Zo gaat het, dag in dag uit.

Het antwoord is inderdaad dat ik nauwelijks meer tijd heb om waar te nemen en in me op te nemen. Soms merk ik het nog op, maar dan merk ik te laat dat ik geen tijd meer heb kunnen maken om het op te schrijven zoals ik dat wil. Raar. Maar het is nu zo. Er tegenover staat dat Ritme en Voorspelbaarheid de prijzen zijn die ik heb gewonnen. De prijzen van een structurele baan.

Groen is gras (deel 2)

Sorry buren, ons gras is momenteel groener!

Wat is er gebeurd? Van het weekend hebben we het stuk tuin dat door moest gaan als grasveld, omgespit en opgehoogd met de grond van de buren. Zij groeven een gat om een trampoline te plaatsen, voor ons was het de kans en de mogelijkheid om eindelijk eens een echt grasveld te maken.

Toen we het huis acht jaar geleden kochten was die plek een vijver. We dempten meteen de helft. Een vijver is leuk, maar niet als het driekwart van je tuin beslaat. Toen de meisjes het kruip-stadium hadden bereikt, hebben we, vanuit veiligheidsredenen uiteraard, de andere helft van de vijver volgegooid met grond. Daar bovenop hebben we een poging gedaan om gras te laten groeien. Het werd een ietwat golvend, ietwat onregelmatig stuk groen. We waren heel blij met de paar grassprietjes die het wel deden. En wat minder blij met het onkruid, maar het zag er op het oog aardig uit.De borders erom heen verbloemden het wellicht, of wij wilden het niet zien.

Sinds gisteravond hebben we dan een echt groen grasveld, zo egaal en zo strak als alleen Britten dat kunnen. Tenminste, die associatie heb ik als ik er zo naar kijk. Het is bijna te netjes voor ons en onze tuin. In onze tuin staan namelijk heel veel verschillende planten en dat combineerde in mijn gedachten niet met een nette tuin. Maar ik ben om. Het ziet er prachtig uit, uitnodigend om over heen te lopen, op te spelen en te liggen.

Hoe hebben we het zo mooi strak voor elkaar gekregen? Met zaaien was dat niet gelukt zoals  de ervaring heeft geleerd. Dat zou een paar weken tijd nodig hebben gehad om te groeien. Zou be-regend moeten worden, goed zijn aangestampt, absoluut geen katten en kinderen over heen. Wat is het geheim? We hebben Esther de Tuinvrouw gevraagd om maar liefst 16 graszoden te leggen.  Niet dat die niet nat gehouden moeten worden of dat er wel kinderen over heen zouden mogen lopen, gras heeft gewoon tijd nodig om te realiseren dat het een grasveld is.

De komende twee weken is het passief genieten van een tropische tuin met een strak gazon. Het gras is groen!

 

Groen is gras

Ik kan me er zo over verbazen: het geklaag en gezeur van mensen over hun baan. Dat ze te weinig verdienen. Dat ze het niet leuk vinden. Dat elke dag hetzelfde is. Ik hoor het en ik verbaas me.

Wat is dat, die ontevredenheid? Waarom zijn de meeste mensen niet gewoon tevreden met wat ze hebben? En als ze er dan toch niet blij mee zijn, waarom blijven ze dan zeuren in plaats van er iets aan te doen? “Ja maar… ik ga niet mijn baan opgeven hoor.” Nee, niet iedereen hoeft dat te doen. Je kunt je wel afvragen of je nog op de juiste plek zit als je geen plezier meer hebt in je werk. “Ja maar… ik heb heus wel plezier in mijn werk, ik vind alleen dat…” En dan komt er weer een klaagzang. Helpt het klagen en het zeuren je verder? Nee. Worden anderen er moe van? Sommigen wel, anderen niet, die klagen en zeuren ook mee totdat het weer tijd is om aan de slag te gaan.

Ik heb besloten om me erover te verbazen, mijn schouders op te halen en verder te gaan. Als je wilt, kun je veranderen. Dan word je kledingverkoper in een winkel en krijg je ook kleren voor bijna niets. Dan word je hypotheekadviseur en krijg je je hypotheek met korting. Maar gaat het daarom? Gaat het om die extra’s? Of gaat het om een algeheel gevoel van ontevredenheid en dat het gras bij de buurman altijd groener is? Het is makkelijk om te zeuren en te klagen, veel makkelijker dan daadwerkelijk die stap te zetten om van baan te veranderen.  Veranderen is eng, omdat je zekerheden moet durven los te laten. Ik weet het.

Hou dus op met zeuren of doe er wat aan.  Het gras bij de buurman is en blijft altijd groener, totdat je eens goed kijkt en je ziet hoe groen je eigen tuin werkelijk is (geworden).

De Ov-chipkaart

Mijn nieuwe baan brengt met zich mee dat ik niet meer op de fiets naar mijn werk ga. Ik maak gebruik van de trein, net als vroeger. Maar in die tussentijd is er wat veranderd: er zijn van die palen geplaatst waarvoor je een pasje kunt houden. Bliep hoor je dan. Brandt ook een groen lampje. Het gemak hoe al die andere reizigers langs die paaltjes lopen, heb ik een week lang aangezien. Toen was ik om: geen kaartjes meer kopen, maar ook zo’n pasje in mijn portemonnee. Lekker bliepend langs die paaltjes gaan!

Via internet heb ik zo’n ov-chipkaart gekocht. Een paar klikken, een pasfotootje in laten scannen, en jawel een paar dagen later had ik mijn ov-chipkaart al in huis. Maar dan. Je zou denken dat die kaart dan ook klaar is om te gebruiken. Nee, dat was een naïeve gedachte,  je moet natuurlijk wel saldo op de kaart hebben staan. Goed, ik heb er saldo opgezet. Omdat ik er niet helemaal zeker van was of de kaart ook echt zou werken, heb ik nog de infolijn gebeld van de Ov-chip. Ik hoefde de kaart alleen maar te activeren bij een Ov-chip automaat en dan zou het moeten werken. Nadat ik de volgende ochtend de aanwijzingen had opgevolgd, hield ik vol verwachting mijn pasje voor de paal.

Er volgde een bliep. Er brandde een rood lampje. En er was een foutmelding: in-uitchecken kan niet. Huh? Maar ik moet nu die trein halen! Dus, gauw toch nog een kaartje gekocht en in de trein gestapt.

Dezelfde avond heb ik wederom gebeld met de infolijn van de Ov-chip. Waarom kan ik niet reizen? Maar mevrouw, heeft u bij de NS wel aangegeven dat u een ov-chipkaart heeft en dat u op saldo reist en dat u tweede klas reist? Nee. Dat heb ik niet gedaan, ik wist ook niet dat dat moest.

De aanwijzingen heb ik opgevolgd en nu zou ik zonder problemen kunnen reizen met mijn ov-chipkaart.  Dat is nog niet het geval.  Ik sta toch wel heel regelmatig bij zo’n paal die me met een rood lampje en een en harde bliep  vertelt dat ik niet kan in of uit checken omdat mijn saldo te laag is. Terwijl dat dus niet het geval is, omdat ik alles geautomatiseerd heb. Ik ben er aan gewend inmiddels: ik hou de kaart er net zo vaak voor totdat ik het groen licht krijg om te gaan reizen. Dan ben ik maar degene die de overige reizigers op houdt om snel in te checken. Leve de Ov-chip!

Griep

Ziek in mijn tweede week van mijn nieuwe baan, hoe verzin je het!  Wanneer ben ik voor het laatst ziek geweest? Geen flauw idee. Ja, een keer niet lekker, of een keer snotverkouden. Maar ik kan het me niet meer herinneren dat ik dagen en nachten achter elkaar bibberend van de kou, trillend als een veertje en zo slap als een vaatdoek in bed heb gelegen. Griep. Koorts. Ontstoken holtes. Hoestbuien. En ik was niet de enige: het hele huis deed mee. Dat is niet fijn, maar in een tweede week van een nieuwe baan voelde ik me extra bezwaard om ziek te zijn.

Na twee dagen ben ik weer aan het werk gegaan, al voelde ik me verre van fit.  Uitzieken hè? Maar ja, hoe doe ik dat als ik veertig uur in de week moet werken en er een thuisfront is dat ook aan het uitzieken is? Inmiddels ben ik koortsvrij, maar het gehoest en het gesnotter houdt aan. Eetlust heb ik nog steeds niet, ik eet omdat ik weet dat het beter voor me is. Ik drink thee met suiker, omdat koffie me nog steeds niet smaakt. Zelfs fruit smaakt me niet. En lekker een eindje gaan fietsen? Nee, nog even niet. Van de paar kilometer die ik dan dagelijks fiets naar het station en weer terug, ga ik zo van hoesten dat ik bijna moet overgeven.

Nog een week volhouden, dan heb ik de maand inwerken erop zitten en heb ik tijd om hopelijk echt beter te worden. Denk nu niet dat ik mijn nieuwe baan niet leuk vind. Integendeel, ik vind het ontzettend leuk om vragen van mensen te kunnen beantwoorden. Dagelijks komen er circa 1500 telefoontjes over immigratie en naturalisatie. Het zijn uiteenlopende vragen van mensen die nog naar Nederland willen komen of al enige tijd in Nederland verblijven. Ik communiceer en ik vind het leuk. Het enige wat niet leuk is, zijn mijn hoest- en proestbuien. Maar dat gaat voorbij en het werk blijft!

 

 

Spring ‘ns in de lucht

Jaa.. de lente is begonnen! Lammetjes in de wei en ik ben blij. Ik heb namelijk een baan! Per 1 april (geen grap) ben ik niet langer Toos Werkeloos, maar ga ik in Zwolle aan de slag bij de instelling die gaat over immigratie. Mijn taak zal zijn om allerlei vragen te beantwoorden die mensen hebben. Kan van alles zijn zolang het maar iets te maken heeft met de taken van deze uitvoeringsinstantie. Ik vind het een boeiende materie, ik vind het leuk om nog meer kennis te verwerven hierover, dus ja, ik heb er zin in!

Het wachten op De Baan is voorbij. Twee jaar heeft het geduurd. En ik was het zat. Zat om te wachten op die leuke vacature, zat om te wachten op een reactie, zat om weer afgewezen te worden omdat ik een van de 450, 260 of 130 kandidaten was. Het zal de tijd zijn die tegen zat. Het zal mijn kritische blik kunnen zijn geweest, “want werk is er genoeg”. Dat klopt misschien, maar mijn uitgangspunt was en is om werk te doen waar ik goed in ben in een sector waar mijn belangstelling ligt. Is dat dan zeuren? Is dat dan te kritisch zijn? Of is het gewoon een kwestie van een lange adem hebben gehad? Tja, het is maar welke bril je op zet.

Nieuwe baan, nieuwe tijden!

 

Marktdag

Ik heb een geweldige kaasboer, een geweldige groenteboer en een geweldige eega. Dat verdient enig uitleg.

Vandaag ging ik op de markt eerst bij de kaasboer langs. Die kaasboer is geweldig omdat hij niet alleen altijd vrolijk is maar vooral omdat hij heerlijke boerenkaas verkoopt: Justa. Eenmaal geproefd en je wilt eigenlijk geen andere jong belegen boerenkaas meer. Bij deze man koop ik dus altijd mijn kaas, want hij heeft ook nog andere heerlijke kazen. Hij kent mij, hij kent mijn voorkeur en standaard pakt hij de Justa al om er een stuk vanaf te snijden. De dametjes krijgen standaard een plakje kaas. Zo ook vandaag: ik kocht mijn pond kaas, we kregen allemaal een plakje en daarna gingen wij verder over de markt.

De volgende stop was bij de groenteboer. Ook deze man, zijn vrouw en hun dochter kennen mij en de dametjes, omdat ik er ook al jaren kom. Aardige mensen die je gewoon goede groente verkopen. In de winter kun je geen meloen kopen, maar wel de zelf geteelde boerenkool. Als de eerste vorst er tenminste overheen is geweest. Als het begin van de zomer is verkopen ze bijvoorbeeld de allerlekkerste aardbeien. Ook van eigen grond. Vandaag waren we er om het zelf geschreven boodschappenlijstje van Kathelijn af te werken: appels, bananen en kiwi’s voor Liesbeth. Dan nog wat groente erbij en Kathelijn mocht ook nog afrekenen. “Zo leren ze het” merkte de groenteboerin op.

Maar pas bij thuiskomst ontdekte ik dat ik de kaas vergeten was. Ja, die had ik laten liggen bij de groenteboer, op het moment dat ik nog aan het kletsen was over het boodschappen doen van Kathelijn. Stom! Stom! Nu heb ik wel kaas gekocht, maar heb ik het niet meegenomen. Ik werd er wat chagrijnig van. Het zou natuurlijk kunnen zijn dat de kaas er nog zou liggen. Nee, vast niet. Of een klant zou het aan de groenteboer kunnen hebben gegeven. Misschien. Maar ik had helemaal geen zin om weer met z’n drietjes naar de markt te gaan en dan tot de ontdekking komen dat de kaas door iemand anders was meegenomen. En van dat idee werd ik eigenlijk nog chagrijniger.

Wat dan? Gewoon deze stommiteit accepteren natuurlijk. Of, hopen dat de groenteboer de kaas bij mij zou afleveren? Hoe durf ik! Met schaamte mijn eega opbellen, die toch aan de overkant was en nog boodschappen in de supermarkt ging doen? Ja, dat heb ik wel gedaan. En verrek: de kaas lag er ook nog. En ja, de groenteboerin heeft de hele markt naar mij afgezocht omdat ik de kaas bij haar had laten liggen. Ze zou hem anders wel bij ons hebben afgeleverd hoor, ze woont toch in de buurt. Ik bedoel: heb ik dan een geweldige groenteboer, een geweldig eega en een geweldige kaasboer, of niet?!

 

Daar zijn ze weer…

22:00: tijd om naar bed te gaan. En wat zie ik daar: een zwart springend piepklein rotbeestje. Nee he, het zal toch niet waar zijn? Jawel, het is een vlo. De lente is amper een paar meteorologische dagen oud, of die kleine rotbeestje zijn ook weer wakker geworden.

23:00: ik lig in bed en ik voel ze overal. Tenminste, ik denk dat ik ze overal voel kruipen en mij bijten. Vanavond had ik toch duidelijk al wat plekjes gezien op mijn been. En nu kriebelen ze dus weer terwijl ik wil slapen. Waar is dit fout gegaan? Waarom zijn ze er weer? Waren deze keer drie dagen afwezigheid weer voldoende om als hongerige vlo rond te springen? Ik wil ze weghebben.

4:33: waarom ben ik wakker?

5:02: Ik ben nog steeds wakker. Ik heb mijn verdelgingsplan klaar, maar daar heb ik nu niet zoveel aan. Straks ga ik dat plan uitvoeren, nu moet ik slapen. Maar het lukt niet. Mijn hoofd wil niet slapen.

6:14: ik val in een sluimerslaap.

6:45: wekker gaat, er staat een peuter naast mijn bed en ik voel gekriebel.

8:32: Verdelginsgplan, fase 1 ten uitvoer brengen. Ik ga weer eens het hele huis stofzuigen. Alsof ik dat niet al regelmatig doe.

9:05: Verdelgingsplan fase 2 ten uitvoer brengen: al het beddegoed op de geadviseerde temperatuur van 60 graden uitwassen. Grrr..

11:15: Verdelgingsplan fase 3.1 ten uitvoer brengen: gif kopen. Niks sorry tegen die kleine beestjes, jullie gaan uit mijn huis, uit mijn bed, uit  mijn slaap! Peuter vraagt: wat is gif? Na uitleg volgt de opmerking: Oh wat mevrouw Helderder van Pluk ook deed.

13:53: Verdelgingsplan 4.1 ten uitvoer brengen: vlooienbandjes voor de katten kopen

14:06: Katten voorzien van een vlooienband, ruzie met de katten hebben, schrammen op mijn hand verzorgen. Fase 4.2 gelukt

14:23: Vlooien in de slaapkamers vergiftigd. Fase 3.2 afgerond

Zo, nu eens kijken wie er gaat winnen. Ik voel me inderdaad een soort mevrouw Helderder.

Stand van het sollicitatieland: wachten

Wachten, wachten, wachten. Wachten tot die leuke vacature voorbij komt, wachten tot je een reactie krijgt, wachten of je op gesprek mag komen en uiteindelijk wachten of je wordt aangenomen. Het klinkt passief en getuigt natuurlijk helemaal niet van activiteit of van ondernemingszin. Dat kan dus niet, want je moet juist actief zijn. Niets wachten tot er iets leuks voorbij komt, nee, zelf op zoek gaan. Zelf op de mensen afstappen en vertellen hoe geweldig ik ben. Ik weet het. Ik doe het. En er gebeurt niets.

Twee jaar na mijn stap om mijn baan op te zeggen dreig ik in een heel diep gat te vallen. Ik weet het niet meer. Ik solliciteer, maar alleen op de functies waar ik meteen blij van word. Dan ben ik namelijk gemotiveerd en kan ik mezelf prima verkopen. Het is een tactiek. Een andere tactiek die ik niet beheers is op alles te solliciteren, ook op functies waar ik de ballen mee heb, of waar ik helemaal niets van af weet, of waarvan ik alle kennis en ervaring niet heb. Dan is het ook logisch om afgewezen te worden, niet waar? Als werkgever zoek je immers een schaap met 5 poten, dus als er dan schapen zonder poten solliciteren, kun je meteen opruimen. Daarom doe ik dat niet.

Tot op heden heeft mijn tactiek me niets opgeleverd. In concreto: ik word afgewezen. Ik mag vaak niet eens op gesprek komen. Want ik ben een van de 450, of 350 of 260 kandidaten. Het zal de tijd zijn die tegen zit. Maar ik zit er maar mooi mee. Het maakt me moedeloos. Want blijkbaar ben ik niet genoeg waard om aangenomen te worden. Het zal een gevoel zijn die vele werkzoekenden zullen herkennen. Het is een rotgevoel, dat iedereen probeert te weerleggen. Dank. Maar het wachten op De Baan duurt voort.