De Ov-chipkaart

Mijn nieuwe baan brengt met zich mee dat ik niet meer op de fiets naar mijn werk ga. Ik maak gebruik van de trein, net als vroeger. Maar in die tussentijd is er wat veranderd: er zijn van die palen geplaatst waarvoor je een pasje kunt houden. Bliep hoor je dan. Brandt ook een groen lampje. Het gemak hoe al die andere reizigers langs die paaltjes lopen, heb ik een week lang aangezien. Toen was ik om: geen kaartjes meer kopen, maar ook zo’n pasje in mijn portemonnee. Lekker bliepend langs die paaltjes gaan!

Via internet heb ik zo’n ov-chipkaart gekocht. Een paar klikken, een pasfotootje in laten scannen, en jawel een paar dagen later had ik mijn ov-chipkaart al in huis. Maar dan. Je zou denken dat die kaart dan ook klaar is om te gebruiken. Nee, dat was een naïeve gedachte,  je moet natuurlijk wel saldo op de kaart hebben staan. Goed, ik heb er saldo opgezet. Omdat ik er niet helemaal zeker van was of de kaart ook echt zou werken, heb ik nog de infolijn gebeld van de Ov-chip. Ik hoefde de kaart alleen maar te activeren bij een Ov-chip automaat en dan zou het moeten werken. Nadat ik de volgende ochtend de aanwijzingen had opgevolgd, hield ik vol verwachting mijn pasje voor de paal.

Er volgde een bliep. Er brandde een rood lampje. En er was een foutmelding: in-uitchecken kan niet. Huh? Maar ik moet nu die trein halen! Dus, gauw toch nog een kaartje gekocht en in de trein gestapt.

Dezelfde avond heb ik wederom gebeld met de infolijn van de Ov-chip. Waarom kan ik niet reizen? Maar mevrouw, heeft u bij de NS wel aangegeven dat u een ov-chipkaart heeft en dat u op saldo reist en dat u tweede klas reist? Nee. Dat heb ik niet gedaan, ik wist ook niet dat dat moest.

De aanwijzingen heb ik opgevolgd en nu zou ik zonder problemen kunnen reizen met mijn ov-chipkaart.  Dat is nog niet het geval.  Ik sta toch wel heel regelmatig bij zo’n paal die me met een rood lampje en een en harde bliep  vertelt dat ik niet kan in of uit checken omdat mijn saldo te laag is. Terwijl dat dus niet het geval is, omdat ik alles geautomatiseerd heb. Ik ben er aan gewend inmiddels: ik hou de kaart er net zo vaak voor totdat ik het groen licht krijg om te gaan reizen. Dan ben ik maar degene die de overige reizigers op houdt om snel in te checken. Leve de Ov-chip!

Griep

Ziek in mijn tweede week van mijn nieuwe baan, hoe verzin je het!  Wanneer ben ik voor het laatst ziek geweest? Geen flauw idee. Ja, een keer niet lekker, of een keer snotverkouden. Maar ik kan het me niet meer herinneren dat ik dagen en nachten achter elkaar bibberend van de kou, trillend als een veertje en zo slap als een vaatdoek in bed heb gelegen. Griep. Koorts. Ontstoken holtes. Hoestbuien. En ik was niet de enige: het hele huis deed mee. Dat is niet fijn, maar in een tweede week van een nieuwe baan voelde ik me extra bezwaard om ziek te zijn.

Na twee dagen ben ik weer aan het werk gegaan, al voelde ik me verre van fit.  Uitzieken hè? Maar ja, hoe doe ik dat als ik veertig uur in de week moet werken en er een thuisfront is dat ook aan het uitzieken is? Inmiddels ben ik koortsvrij, maar het gehoest en het gesnotter houdt aan. Eetlust heb ik nog steeds niet, ik eet omdat ik weet dat het beter voor me is. Ik drink thee met suiker, omdat koffie me nog steeds niet smaakt. Zelfs fruit smaakt me niet. En lekker een eindje gaan fietsen? Nee, nog even niet. Van de paar kilometer die ik dan dagelijks fiets naar het station en weer terug, ga ik zo van hoesten dat ik bijna moet overgeven.

Nog een week volhouden, dan heb ik de maand inwerken erop zitten en heb ik tijd om hopelijk echt beter te worden. Denk nu niet dat ik mijn nieuwe baan niet leuk vind. Integendeel, ik vind het ontzettend leuk om vragen van mensen te kunnen beantwoorden. Dagelijks komen er circa 1500 telefoontjes over immigratie en naturalisatie. Het zijn uiteenlopende vragen van mensen die nog naar Nederland willen komen of al enige tijd in Nederland verblijven. Ik communiceer en ik vind het leuk. Het enige wat niet leuk is, zijn mijn hoest- en proestbuien. Maar dat gaat voorbij en het werk blijft!

 

 

Spring ‘ns in de lucht

Jaa.. de lente is begonnen! Lammetjes in de wei en ik ben blij. Ik heb namelijk een baan! Per 1 april (geen grap) ben ik niet langer Toos Werkeloos, maar ga ik in Zwolle aan de slag bij de instelling die gaat over immigratie. Mijn taak zal zijn om allerlei vragen te beantwoorden die mensen hebben. Kan van alles zijn zolang het maar iets te maken heeft met de taken van deze uitvoeringsinstantie. Ik vind het een boeiende materie, ik vind het leuk om nog meer kennis te verwerven hierover, dus ja, ik heb er zin in!

Het wachten op De Baan is voorbij. Twee jaar heeft het geduurd. En ik was het zat. Zat om te wachten op die leuke vacature, zat om te wachten op een reactie, zat om weer afgewezen te worden omdat ik een van de 450, 260 of 130 kandidaten was. Het zal de tijd zijn die tegen zat. Het zal mijn kritische blik kunnen zijn geweest, “want werk is er genoeg”. Dat klopt misschien, maar mijn uitgangspunt was en is om werk te doen waar ik goed in ben in een sector waar mijn belangstelling ligt. Is dat dan zeuren? Is dat dan te kritisch zijn? Of is het gewoon een kwestie van een lange adem hebben gehad? Tja, het is maar welke bril je op zet.

Nieuwe baan, nieuwe tijden!

 

Marktdag

Ik heb een geweldige kaasboer, een geweldige groenteboer en een geweldige eega. Dat verdient enig uitleg.

Vandaag ging ik op de markt eerst bij de kaasboer langs. Die kaasboer is geweldig omdat hij niet alleen altijd vrolijk is maar vooral omdat hij heerlijke boerenkaas verkoopt: Justa. Eenmaal geproefd en je wilt eigenlijk geen andere jong belegen boerenkaas meer. Bij deze man koop ik dus altijd mijn kaas, want hij heeft ook nog andere heerlijke kazen. Hij kent mij, hij kent mijn voorkeur en standaard pakt hij de Justa al om er een stuk vanaf te snijden. De dametjes krijgen standaard een plakje kaas. Zo ook vandaag: ik kocht mijn pond kaas, we kregen allemaal een plakje en daarna gingen wij verder over de markt.

De volgende stop was bij de groenteboer. Ook deze man, zijn vrouw en hun dochter kennen mij en de dametjes, omdat ik er ook al jaren kom. Aardige mensen die je gewoon goede groente verkopen. In de winter kun je geen meloen kopen, maar wel de zelf geteelde boerenkool. Als de eerste vorst er tenminste overheen is geweest. Als het begin van de zomer is verkopen ze bijvoorbeeld de allerlekkerste aardbeien. Ook van eigen grond. Vandaag waren we er om het zelf geschreven boodschappenlijstje van Kathelijn af te werken: appels, bananen en kiwi’s voor Liesbeth. Dan nog wat groente erbij en Kathelijn mocht ook nog afrekenen. “Zo leren ze het” merkte de groenteboerin op.

Maar pas bij thuiskomst ontdekte ik dat ik de kaas vergeten was. Ja, die had ik laten liggen bij de groenteboer, op het moment dat ik nog aan het kletsen was over het boodschappen doen van Kathelijn. Stom! Stom! Nu heb ik wel kaas gekocht, maar heb ik het niet meegenomen. Ik werd er wat chagrijnig van. Het zou natuurlijk kunnen zijn dat de kaas er nog zou liggen. Nee, vast niet. Of een klant zou het aan de groenteboer kunnen hebben gegeven. Misschien. Maar ik had helemaal geen zin om weer met z’n drietjes naar de markt te gaan en dan tot de ontdekking komen dat de kaas door iemand anders was meegenomen. En van dat idee werd ik eigenlijk nog chagrijniger.

Wat dan? Gewoon deze stommiteit accepteren natuurlijk. Of, hopen dat de groenteboer de kaas bij mij zou afleveren? Hoe durf ik! Met schaamte mijn eega opbellen, die toch aan de overkant was en nog boodschappen in de supermarkt ging doen? Ja, dat heb ik wel gedaan. En verrek: de kaas lag er ook nog. En ja, de groenteboerin heeft de hele markt naar mij afgezocht omdat ik de kaas bij haar had laten liggen. Ze zou hem anders wel bij ons hebben afgeleverd hoor, ze woont toch in de buurt. Ik bedoel: heb ik dan een geweldige groenteboer, een geweldig eega en een geweldige kaasboer, of niet?!

 

Daar zijn ze weer…

22:00: tijd om naar bed te gaan. En wat zie ik daar: een zwart springend piepklein rotbeestje. Nee he, het zal toch niet waar zijn? Jawel, het is een vlo. De lente is amper een paar meteorologische dagen oud, of die kleine rotbeestje zijn ook weer wakker geworden.

23:00: ik lig in bed en ik voel ze overal. Tenminste, ik denk dat ik ze overal voel kruipen en mij bijten. Vanavond had ik toch duidelijk al wat plekjes gezien op mijn been. En nu kriebelen ze dus weer terwijl ik wil slapen. Waar is dit fout gegaan? Waarom zijn ze er weer? Waren deze keer drie dagen afwezigheid weer voldoende om als hongerige vlo rond te springen? Ik wil ze weghebben.

4:33: waarom ben ik wakker?

5:02: Ik ben nog steeds wakker. Ik heb mijn verdelgingsplan klaar, maar daar heb ik nu niet zoveel aan. Straks ga ik dat plan uitvoeren, nu moet ik slapen. Maar het lukt niet. Mijn hoofd wil niet slapen.

6:14: ik val in een sluimerslaap.

6:45: wekker gaat, er staat een peuter naast mijn bed en ik voel gekriebel.

8:32: Verdelginsgplan, fase 1 ten uitvoer brengen. Ik ga weer eens het hele huis stofzuigen. Alsof ik dat niet al regelmatig doe.

9:05: Verdelgingsplan fase 2 ten uitvoer brengen: al het beddegoed op de geadviseerde temperatuur van 60 graden uitwassen. Grrr..

11:15: Verdelgingsplan fase 3.1 ten uitvoer brengen: gif kopen. Niks sorry tegen die kleine beestjes, jullie gaan uit mijn huis, uit mijn bed, uit  mijn slaap! Peuter vraagt: wat is gif? Na uitleg volgt de opmerking: Oh wat mevrouw Helderder van Pluk ook deed.

13:53: Verdelgingsplan 4.1 ten uitvoer brengen: vlooienbandjes voor de katten kopen

14:06: Katten voorzien van een vlooienband, ruzie met de katten hebben, schrammen op mijn hand verzorgen. Fase 4.2 gelukt

14:23: Vlooien in de slaapkamers vergiftigd. Fase 3.2 afgerond

Zo, nu eens kijken wie er gaat winnen. Ik voel me inderdaad een soort mevrouw Helderder.

Stand van het sollicitatieland: wachten

Wachten, wachten, wachten. Wachten tot die leuke vacature voorbij komt, wachten tot je een reactie krijgt, wachten of je op gesprek mag komen en uiteindelijk wachten of je wordt aangenomen. Het klinkt passief en getuigt natuurlijk helemaal niet van activiteit of van ondernemingszin. Dat kan dus niet, want je moet juist actief zijn. Niets wachten tot er iets leuks voorbij komt, nee, zelf op zoek gaan. Zelf op de mensen afstappen en vertellen hoe geweldig ik ben. Ik weet het. Ik doe het. En er gebeurt niets.

Twee jaar na mijn stap om mijn baan op te zeggen dreig ik in een heel diep gat te vallen. Ik weet het niet meer. Ik solliciteer, maar alleen op de functies waar ik meteen blij van word. Dan ben ik namelijk gemotiveerd en kan ik mezelf prima verkopen. Het is een tactiek. Een andere tactiek die ik niet beheers is op alles te solliciteren, ook op functies waar ik de ballen mee heb, of waar ik helemaal niets van af weet, of waarvan ik alle kennis en ervaring niet heb. Dan is het ook logisch om afgewezen te worden, niet waar? Als werkgever zoek je immers een schaap met 5 poten, dus als er dan schapen zonder poten solliciteren, kun je meteen opruimen. Daarom doe ik dat niet.

Tot op heden heeft mijn tactiek me niets opgeleverd. In concreto: ik word afgewezen. Ik mag vaak niet eens op gesprek komen. Want ik ben een van de 450, of 350 of 260 kandidaten. Het zal de tijd zijn die tegen zit. Maar ik zit er maar mooi mee. Het maakt me moedeloos. Want blijkbaar ben ik niet genoeg waard om aangenomen te worden. Het zal een gevoel zijn die vele werkzoekenden zullen herkennen. Het is een rotgevoel, dat iedereen probeert te weerleggen. Dank. Maar het wachten op De Baan duurt voort.

 

HASA

Werken bij Vluchtelingenwerk: zo heb je de eerste week van 2012 gehad waarin je het ene slechte nieuws na het andere moest vertellen en het gevoel zou kunnen krijgen dat er blijkbaar geen rechtvaardigheid meer bestaat en zo is er een nieuwe week en is het toch weer anders.

Nu doe ik dat wel vaker, iemand vertellen dat hij of zij een verblijfsvergunning heeft,  maar het blijven de pareltjes van mijn werk. Dit keer was het meneer I. uit A. (ja, het klinkt als een opsporingsbericht, maar ik vind het eerlijker en veiliger om niet de details te vertalen.) Deze meneer was in 2010 naar Nederland gevlucht. Hij was ziek, had asiel aangevraagd en was helaas afgewezen voor een verblijfsvergunning. Vervolgens heeft hij 7 maanden op straat geleefd. Hij was zo’n man die op papier niet bestond. Geen recht op verblijf, uitgeschreven, ‘met onbekende bestemming vertrokken’. De werkelijkheid was dat hij onder bruggen sliep, geen medische behandeling voor zijn ziekte kreeg en rond dwaalde met de vraag wat hij moest doen.

Hij besloot om toch nog een keer te gaan naar de instantie die gaat over verblijfsvergunningen en zijn verhaal weer te vertellen. Hij was nu beter voorbereid, en hij kwam weer in de asielprocedure en in het asielzoekerscentrum terecht. Vorige week maakte ik kennis met hem. Mijn indruk: een hele vriendelijke, zachtaardige, sympathieke en neerslachtige man. Een mens die nauwelijks meer gelooft in rechtvaardigheid maar toch nog ergens een sprankje hoop heeft. Want waarom zou hij anders hier in dit land blijven?

En dan, een week later. Hij kwam langs met de vraag of ik zijn advocaat wil bellen. Een normale vraag die Vluchtelingwerkers geregeld krijgen. Ik belde en ik hoorde wat ik niet dacht te zullen horen: hij had een verblijfvergunning gekregen! Dit was zo onwaarschijnlijk  dat het voor hem -en voor mij- nauwelijks te geloven was. Hij had zijn verhaal bij deze herkansing kunnen onderbouwen en hij heeft gekregen waar hij recht op had.

Nu kan hij legaal naar een dokter, nu mag hij hier wonen in een huis en nu mag hij doen wat hij zo graag wil: Nederlands leren om te werken in plaats van zijn hand op te houden en afhankelijk te zijn.

Het vertrouwen dat rechtvaardigheid bestaat, is er weer.

Over voornemens en terugkijken

Ik ben aan het opruimen. Goed, ik was eigenlijk op zoek naar een pen. Die ligt normaliter in een bakje waarin ik van alles en nog wat leg. Dat bakje puilde behoorlijk uit. Tot vandaag legde ik namelijk er alles weer in. Maar nu er weer dingen uit vielen, was het tijd om eerst maar eens op te ruimen.

In dat bakje zat 2011: leuke vacatures waar ik absoluut geschikt voor ben, kopieën van enthousiaste sollicitatiebrieven waarin ik dat uitleg en de daarop volgende afwijzingen. Nu is het een stapeltje op de grond geworden en kan het bij de voorgaande jaren en pogingen worden gevoegd. Ook in 2012 zal ik doorgaan om mijn baan te vinden. Verder vind ik het bakje uitgeknipte krantenartikelen terug (ja, sorry, ik ben ouderwets, ik lees de krant op papier en ik knip uit wat mij raakt. Ja, ik weet het, het kan ook digitaal.) Het raakt me weer als ik de foto zie van 513(!) illegalen in een vrachtwagen… het gaat hier om mensen.

Tenslotte kom ik mijn ‘voornemens 2011′ tegen. Een papiertje waar ik vorig jaar wat had opgeschreven over wat ik in 2011 zou gaan doen. Een van die voornemens was simpel, het plezier behouden in de dingen die ik graag doe, te weten fietsen en lezen. Niet dat ik in andere dingen geen plezier heb, maar deze had ik opgeschreven. Ik geloof nu niet, zo terugkijkend, dat het vanwege het zijn van het voornemen, dat ik daarom een nieuwe fiets heb gekocht. En dat ik daarom een keer per week een Voorlezer van de Voorleesexpress ben geworden. Ik bedoel, daarmee heb ik wel heel concreet mijn voornemens gehaald, niet waar?

Maar toch twijfel ik, want als ik het voorneem en het vastleg en vervolgens onbewust het laat uitkomen, zou het dan toch werken? In hoeverre heb je het uitkomen van wensen, verwachtingen en voornemens zelf in de hand? Moet je ze behaphaar maken, concreet formuleren om doelstellingen te halen? Een groot deel is volgens mij niet beïnvloedbaar. Dan ben je onderdeel van het lot. En ja, het frustreert soms enorm als iets me niet lukt. Aan de andere kant, als ik nu zie wat me wel is gelukt, dan geeft dat juist heel veel voldoening.

Wijze woorden. 2012…wordt vervolgd.

 

Hoe vertel je iemand…

“Hoe vertel je iemand dat de aarde niet meer rond is?” Het is een regel uit een lied dat me te binnen schiet. Zojuist heb ik twee mensen verteld dat hun aanvraag om in Nederland te blijven is afgewezen. Ik ken ze al een poosje, aardige mensen. Hij spreekt een beetje Nederlands, zij een beetje minder. Ze zijn al drie jaar in afwachting of hun toekomst in Nederland is. Hun kinderen zitten op school, groep 1, groep 3 en groep 4. Zij praten onderling Nederlands. Hun moeder is trots op ze, zij is nooit naar school geweest. Want zij was maar een meisje, en ook nog eens een Hazara meisje. Minder dan dat kun je bijna niet zijn.

En nu heb ik ze verteld wat ik niet had hopen te zeggen. Ze mogen niet blijven, ze moeten terug.

“ Wij zullen gedood worden. Wij zullen gestenigd worden. De kinderen zullen ook vermoord worden als we worden terug gestuurd naar Afghanistan.” Wat klinken deze zinnen kil en onrealistisch. Maar er schuilt wel degelijk een reële werkelijkheid achter. Want als je behoort tot een bevolkingsgroep die in laag aanzien staat, dan tel je al niet mee. Als je als vrouw bent uitgehuwelijkt, dan ben je dus het bezit geworden van een andere man en andere familie. Maar deze vrouw die ik nu een poosje ken, is verliefd geworden op de man die naast haar zit. Met hem is ze getrouwd en samen hebben ze drie kinderen gekregen. Als je dan terug moet keren naar dat land, die streek, dat dorp waar je vandaan bent gevlucht, dan kom je terecht in omstandigheden waarbij je niet gewenst bent. Sterker, dan moet je gedood worden.

Kun je je voorstellen wat de boodschap betekent die ik heb verteld? Nauwelijks. Ik zie verdriet, ik zie angst, ik zie paniek. Ik denk ook aan hun kinderen. En er schiet mij niets te binnen om te helpen. Ik hoor in mijn hoofd slechts dat lied.

Engel

Vandaag ben ik een engel. Nou ja, voor de asielzoeker tegenover me ben ik dat niet alleen vandaag maar voor altijd. Ik weet niet hoe engelen zich zouden moeten voelen. Zouden ze vereerd moeten zijn dat ze zo worden genoemd? Zouden ze zich ontmaskerd voelen? Of voelen ze niets? Immers, engelen bestaan toch alleen op mooie schilderijen en in verhalen? Ze hebben meestal blond krullend haar en ze hebben vleugels. Dat zijn nou net twee uiterlijkheden die ik niet heb. En daarom ben ik geen engel. Of kun je ook een engel worden zonder blond krullend haar en vleugels? Ik leg deze vragen maar niet aan hem voor. Ik neem het maar aan.

Deze man ken ik nu ongeveer een jaar. Bij ons eerste gesprek liet hij me de littekens op zijn benen zien. Hij vertelde ook over zijn schaamte voor zijn gebitsprothese, dat hij op veertig jarige leeftijd geen eigen gebit meer had. Nee, deze ‘ongemakken’ waren niet het gevolg van een ongeluk. Het was het onbegrijpelijke resultaat van wat mensen elkaar kunnen aandoen. Ook de chronische pijn aan zijn arm en schouder was het gevolg van een onmenselijke behandeling. Maar het pijnlijkst was zijn hoofd. Hij werd aan het verleden herinnerd telkens als hij een een deur hoorde dichtslaan of als hij geschreeuw hoorde. Een eigen huis zou een betere omgeving zijn om te kunnen herstellen. En gelukkig gaat hij volgende week hij verhuizen van het asielzoekerscentrum naar dat eigen huis met eigen keuken, eigen badkamer, eigen woonkamer en eigen slaapkamers voor zijn gezin. Hij heeft de bescherming en erkenning gekregen waar hij om heeft gevraagd: een verblijfsvergunning voor asiel.

De meeste mensen praten niet over wat er is gebeurd en hoe ze zijn toegetakeld. Het hoeft ook niet. Ik laat liever mensen in hun waarde. Vaak pak ik het dossier er later bij om te lezen wat er is gebeurd en wat de reden is om weg te gaan uit het land waar je bent geboren, opgegroeid bent, werk hebt gehad en waar je familie en vrienden wonen. Want dat is de realiteit: achterlaten en opnieuw beginnen. En soms heb je daarbij (geloof in) engelen nodig.

Aan de man die mij consequent een engel noemde: ik heb het graag gedaan.